Montessori-onderwijs

De voorbereide omgeving

Het inrichten van een klas voor een bepaalde leeftijdsgroep noemt de montessorileerkracht het voorbereiden van de omgeving.

In open kasten staan de leermiddelen die kinderen voor hun ontwikkeling nodig hebben. Het staat er zo voor het grijpen en moet ook op dezelfde plaats na gebruik weer worden teruggezet. Met andere materialen moeten ze de omgeving kunnen verzorgen en ook zichzelf. Verder moet de school een documentatiecentrum (bibliotheek) hebben waarin je van alles kunt vinden
over de dingen die je in de omgeving ontdekt hebt.

Verticale groepsstructuur

Kinderen zitten in klas met twee of drie jaargroepen om een proces van continu leren en ontwikkelen mogelijk te maken. In een twee-jaargroepen-systeem zitten kinderen van 4-5 jaar in de onderbouw vande basisschool; van 6-7 jaar in de middenbouw, van 8-9 jaar in de tussenbouw en van 10-12 jaar in de bovenbouw. Het drie-jaargroepen systeem
kent de verdeling:

  • 1-2,
  • 3-4-5
  • en 6-7-8.

Vrijheid in Montessori onderwijs

Kinderen mogen zelf een keuze maken uit de leermiddelen (keuzevrijheid).
Ze mogen daarmee -binnen zekere grenzen- zo lang werken als ze willen (tempovrijheid).

Kinderen zijn zelf de maat voor wat ze presteren: iedereen doet datgene wat hij kan zo goed mogelijk naar eigen vermogen (niveauvrijheid). In de groep mogen kinderen zelf het materiaal uit de vaste plaats in de kast gaan halen en het er na gebruik weer in terug zetten (bewegingsvrijheid).

Geen rapportcijfers

Het is de bedoeling, dat de kinderen gemotiveerd worden door het werk zelf om hun uiterste best te doen. Omdat ze dit werk zelf mogen kiezen kan deze gemotiveerdheid ook verwacht worden. De leerkracht basisonderwijs spreekt in dit geval van intrinsieke motivatie en hij weet dat dit de best denkbare motivatie is.

Hierom, en omdat het kind zelf de maat voor zijn eigen presteren is, worden in het Montessori- onderwijs geen cijferbeoordelingen voor gemaakt werk gegeven. De leider of leidster houdt wel een registratie bij waarin wordt vastgelegd wat een kind gedaan heeft en hoe het datgene wat gekozen werd verwerkt heeft.

Materiaal

De leermiddelen, waarmee het kind werkt, worden materiaal genoemd. Het materiaal is geen handig hulpmiddel in de hand van een leerkracht die het kind wat leert, maar het heeft de eigenschap dat het kind, dat het zelfstandig hanteert, er na een korte introductie zichzelf wat mee leert. De korte introductie heet de individuele les.

Het zintuiglijk materiaal is erg bekend. Het kind ontwikkelt er zijn zintuigen mee, waardoor het beter leert waarnemen en ook de waarnemingen leert ordenen. Deze ordening van waarnemingen noemt Dr Montessori de opvoeding van de intelligentie. Ook het hierna nog te noemen materiaal heeft de mogelijkheid tot deze ordening. Er is materiaal voor het schrijven en lezen en overige taaloefeningen en voor rekenen en geometrie. Dit materiaal wordt meestal aangeboden in individuele lessen.